De Tijd, Januari 2026, Ben Serrure
Europese politici hebben de mond vol van digitale soevereiniteit. Maar die dure woorden gaan gepaard met even dure investeringen. Kan Europa dat betalen? En is het eigenlijk wel een goed idee om onszelf zo veel mogelijk los te weken van Amerikaanse en Chinese tech? ‘Religieus alles Europees willen maken is de verkeerde richting.’
Na jaren van eerder vrijblijvend praten zou 2026 voor Europa wel eens het jaar van actie kunnen worden inzake digitale soevereiniteit. De Europese Commissie plant enkele initiatieven die ons met z’n allen minder afhankelijk moeten maken van buitenlandse – zeg maar: Amerikaanse en Chinese – technologie. Alleen al in het eerste halfjaar staan de Digital Networks Act, de Cloud and AI Development Act, een herziening van de Chips Act en de Quantum Act op het programma. Al die wetgevende initiatieven delen eenzelfde logica: het versterken van de Europese controle over de digitale technologieën van de toekomst. Er worden miljarden gemobiliseerd voor investeringen in die cruciaal geachte tech. De meest sprekende investering is de 20 miljard euro voor de bouw van Europese ‘AI-gigafactories’. Dergelijke grootschalige sites, die voldoende rekenkracht bundelen om de volgende generatie AI-modellen mee mogelijk te maken, moeten een inhaalrace inluiden op het vlak van AI-infrastructuur. De huidige verschuiving naar meer digitale zelfredzaamheid komt niet uit de lucht vallen. In tijden van geopolitieke instabiliteit en een economische wedloop die steeds meer van technologie afhangt, is het niet abnormaal dat Europa zijn eigen lot sterker in handen wil nemen. De Europese Unie is vandaag in zowat elke laag van de technologische stack – de digitale waardeketen, zeg maar – afhankelijk van buitenlandse technologie. Dat maakt ons kwetsbaar voor alle mogelijke externe schokken. De chipcrisis in de nasleep van de coronapandemie maakte dat pijnlijk duidelijk.
Het ‘Brusselse effect’
Sinds de tweede ambtstermijn van de Amerikaanse president Donald Trump goed een jaar geleden op gang werd getrokken, blijkt ook steeds duidelijker dat Europa zijn zwakke flank niet langer met regulering alleen kan afdekken. De EU teerde lang op wat in academische kringen ‘the Brussels effect’ werd genoemd, naar een paper van Columbia-professor Anu Bradford. Zij betoogde in 2012 dat de EU een onderschatte wereldmacht is, omdat de regulering die ze uitvaardigt vaak de standaard wordt tot ver buiten de eigen grenzen. De terugkeer van Trump en de bereidwilligheid van sommige bedrijven – zoals Mark Zuckerbergs Meta en Elon Musks X – om zich harder op te stellen tegenover de EU, waren voor het ‘Brusselse effect’ echter een stevige confrontatie met de realiteit. In een vijandigere wereld waarin het internationaal recht plots op zijn limieten stuit, blijkt meer nodig. Recent zagen we het voorbeeld van Grok, de AI-chatbot van Musk, die gebruikt werd om schadelijke AI-deepfakes en desinformatie te genereren. Buitenlandse overheden moesten Musk dwingend vragen zijn beleid aan te passen, iets wat uiteindelijk eerder symbolisch dan daadkrachtig gebeurde. Als kerntechnologie in handen van een handvol buitenlandse spelers is, wordt Europa’s capaciteit om de eigen regels af te dwingen plots afhankelijk van de goodwill, prioriteiten en commerciële reflexen van CEO’s elders.
Broek ophouden
Vriend en vijand zijn het er intussen over eens dat we ernaar moeten streven ons eigen lot meer in handen te nemen. Over de vraag hoe we dat het best aanpakken, zijn de meningen dan weer verdeeld. Sommige hardliners pleiten voor een zo compleet mogelijke ontkoppeling van ‘buitenlandse’ technologie, van chipinfrastructuur over componenten tot de cloud en datacenters en softwarediensten. Zulke plannen zouden evenwel snel op een keiharde muur van economisch realisme botsen. De gerespecteerde Europese denktank Center for European Policy Analysis (CEPA) becijferde recent nog dat een totale ontkoppeling de EU zo’n 3.600 miljard euro zou kosten over een periode van tien jaar. Het gaat dan om een mix van de benodigde investeringen en de opportuniteitskosten die gepaard gaan met het ophouden van de eigen broek op digitaal vlak. De analisten noemen dat pad dan ook ‘simpelweg onmogelijk’. ‘De cijfers vertellen het verhaal voor ons’, staat in het rapport. Zelfs de Europese privétechsector toont weinig animo voor een ontkoppeling, ook al zou hij er op papier baat bij kunnen hebben. De sector staat niet te springen voor een te radicale stap weg van buitenlandse technologie en massale investeringen in de eigen infrastructuur. In een recent opiniestuk in The Economist maakte Christian Klein, de CEO van de Duitse softwarereus SAP, het plan om massaal te investeren in AI-gigafactories nog met de grond gelijk. ‘De hardwaretrein heeft het station verlaten’, schrijft hij. Ons laten verleiden tot een inhaalrace op het vlak van infrastructuur zou economisch ‘rampzalig’ zijn. Europa kan zich beter concentreren op de zaken waarin het goed is en waarin het nog een verschil kan maken, stelt de topman van een van Europa’s waardevolste techbedrijven.
Genoeg zandbakken
Het is een boodschap die ook Martin Merz, de verantwoordelijke voor Sovereign Cloud bij SAP, echoot in een gesprek met De Tijd. ‘We discussiëren enorm veel over datacenters, maar dat is niet de kernvraag’, zegt hij. Wat die kernvraag dan wel is? Merz maakt een beeldende vergelijking. ‘Europa creëert vandaag ongeveer 25 zettabyte (25.000 miljard gigabyte, red.) aan data per jaar. Als data zand zouden zijn, hebben we er 25 Sahara-woestijnen van. De vraag is niet of we genoeg zandbakken hebben, maar wat we met al dat zand doen. Als we zelfs maar 10 of 20 procent van die bestaande data intelligent gebruiken, creëren we een enorme economische en maatschappelijke waarde. In plaats van zonder focus datacenters te bouwen, kunnen we beter op die vraag focussen.’ Het feit dat zijn afdeling bij SAP bestaat, betekent dat er wel degelijk nood is aan soevereine technologie, erkent Merz. ‘Maar dat is niets nieuws. SAP doet dit al 15 jaar. Defensie, kritieke infrastructuur, gereguleerde industrieën… hebben altijd nood gehad aan een erg veilige omgeving voor hun processen. Vroeger had dat soort klanten enkel on-premise servers (servers op eigen terreinen, afgekoppeld van het bredere web, red.) . Maar wie vandaag wil innoveren, kan niet zonder de rekenkracht van de cloud. Daarom doen zij een beroep op onze soevereine cloud, die aan strenge nationale en Europese vereisten voldoet.’ Het is dat soort gefaseerde, zeer precieze soevereiniteit die het antwoord moet zijn op de huidige uitdagingen, zeggen ook andere Europese techstemmen. Verschillende IT-dienstverleners merken dat steeds meer commerciële klanten beseffen dat alles uitbesteden aan publieke, Amerikaanse infrastructuur risico’s inhoudt en zijn in die zin vragende partij voor soevereine technologie. ‘Maar dat wil niet zeggen dat we de publieke cloud van Amerikaanse hyperscalers zomaar kunnen afschakelen’, zegt Merz.
Valkuil
Ook Thomas Breuer, de general manager voor België bij de Europese IT-groep Inetum, waarschuwt voor een te dogmatische benadering. ‘Als we religieus worden over soevereiniteit, slaan we de bal mis’, zegt hij. ‘Digitale soevereiniteit is geen ideologie, maar een bijzonder praktische oefening in risicobeheer.’ Net als Merz wijst Breuer erop dat het besef groeit – zowel in de publieke als de private sector – dat eerdere technologische keuzes herbekeken moeten worden. ‘We zien organisaties die all-in cloud zijn gegaan, maar vandaag opnieuw differentiëren. Niet omdat de publieke cloud niet werkt, maar omdat totale afhankelijkheid van één model of één speler risico’s creëert. Maar die risico’s beheersen betekent niet per se tabula rasa maken.’ Eenzelfde geluid bij Koen Segers, de Belgische countrymanager van het Amerikaanse Dell Technologies. De technologiereus is niet alleen een fabrikant van computers, maar ook van de hardware en de servers waarop datacenters voor een groot deel draaien. Net als bij Inetum ziet Segers zijn klanten steeds meer voor een hybride aanpak kiezen. Een deel van de workload wordt onvermijdelijk op een kostenefficiënte cloud bij een – vaak Amerikaanse – hyperscaler gedaan, terwijl meer gevoelige processen lokaal en soeverein worden beheerd. ‘Het gaat om de juiste tool voor de juiste job. Sommige data horen dicht bij de gebruiker, andere kunnen veilig en efficiënt ergens anders beheerd worden.’ Segers heeft wel begrip voor de aandacht voor meer soevereiniteit op infrastructuurvlak. ‘Als je te zwaar op een kleine groep leveranciers leunt, verlies je grip op je eigen toekomst. Niet omdat die leveranciers slecht zijn, maar omdat je afhankelijk wordt van beslissingen die buiten jouw controle vallen.’ Die afhankelijkheid vertaalt zich niet alleen in geopolitieke risico’s, maar ook in economische druk door een zogenaamde lock-in, wanneer je als bedrijf geen uitwijkmogelijkheden hebt naar andere leveranciers. ‘Dat moet je vermijden.’ Toch waarschuwt Segers voor te reflexmatig protectionisme. ‘Het is een valkuil om te denken dat we alles met Europese technologie kunnen oplossen. Dat is niet alleen duur, maar ook contraproductief als we de innovatie daardoor vertragen.’ De gezamenlijke conclusie is dat meer ambitie voor Europese soevereiniteit terecht is, maar dat Europa zich niet mag laten verleiden tot een binair ja-nee-antwoord. Europa staat de komende jaren voor een delicate en minutieuze evenwichtsoefening over de niveaus waarop soevereiniteit het meest nodig en nuttig is. Op basis daarvan kan worden beslist waaraan het geld wordt besteed. Want volledig op eigen benen staan, wordt – helaas – onmogelijk.
Wat gebeurt er?
In het eerste halfjaar komen er meerdere wetgevende initiatieven om de Europese controle over de digitale technologieën van de toekomst te versterken, waaronder de Cloud and AI Development Act.
Waarom gebeurt het?
De Europese Unie is vandaag in zowat elke laag van de digitale waardeketen afhankelijk van buitenlandse technologie. Dat maakt haar kwets-baar voor alle mogelijke externe schokken.
Waarover bestaat nog discussie?
Sommige hardliners pleiten voor een zo compleet mogelijke ontkoppeling van ‘buitenlandse’ technologie. Maar zulke plannen zijn ‘simpelweg onmogelijk’, stelt een rapport. Anderen geloven meer in een gefaseerde, zeer precieze digitale soevereiniteit voor Europa.
